Enquêteprocedure: wanneer en hoe?

Als iemand enquêtegerechtigde is en het niet eens is met het beleid of de gang van zaken binnen de onderneming, kan hij een enquêteprocedure aanhangig maken bij de Ondernemingskamer. De bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken moeten wel serieus van aard zijn. Als bijvoorbeeld een aandeelhouder het simpelweg niet eens is met de strategische koers van de onderneming, is dat onvoldoende om een enquêteprocedure te kunnen starten. De bezwaren van de enquêtegerechtigde moeten voldoende ernstig zijn. Voorbeelden van bezwaren die een enquêteprocedure kunnen rechtvaardigen, zijn:

  • bezwaren tegen de behandeling van (minderheids)aandeelhouders;
  • bezwaren tegen het besluitvormingsproces binnen het bestuur of de aandeelhoudersvergadering;
  • er is sprake van belangenverstrengeling tussen de onderneming en andere betrokkenen (zoals bestuurders, aandeelhouders of commissarissen);
  • er is sprake van ernstige conflicten tussen functionarissen van de onderneming, die al dan niet resulteren tot patstellingen;
  • bezwaren tegen het (bedrijfs)economisch beleid van de onderneming;
  • etc.

De enquêteprocedure is niet bedoeld voor zuiver vermogensrechtelijke (contractuele) geschillen, zoals conflicten over waarderingen van aandelen bij de uitkoop van een aandeelhouder, of over de vaststelling van de bonus van een bestuurder. Toch kan een dergelijk geschil de verhoudingen binnen een onderneming zodanig verstoren dat een enquêteprocedure wél gerechtvaardigd is.

Alvorens de Ondernemingskamer gevraagd kan worden een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van  zaken bij een onderneming (een enquêteverzoek), moet de enquêtegerechtigde eerst zijn bezwaren schriftelijk mededelen aan het bestuur van de onderneming (en de raad van commissarissen, als die er is). In die schriftelijke mededeling moeten de bezwaren voldoende concreet worden omschreven. Daarbij moet de onderneming een redelijke termijn worden gegeven die haar in staat stelt de kenbaar gemaakte bezwaren te onderzoeken en, voor zover nodig, maatregelen te nemen om de problemen op te lossen. Hierdoor wordt zoveel mogelijk voorkomen dat een onderneming wordt overrompeld met onverwachte en onnodige enquêteverzoeken.

Pas als het schriftelijk kenbaar maken van de bezwaren niet tot een bevredigende oplossing leidt, kan de enquêtegerechtigde aan de Ondernemingskamer vragen om een enquête te bevelen: een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een onderneming. Dat moet met behulp van een advocaat, die daarvoor een speciaal verzoekschrift opstelt en verstuurt naar de Ondernemingskamer.

Nadat het verzoekschrift door de Ondernemingskamer is ontvangen, wordt er door de Ondernemingskamer een datum voor de behandeling van het verzoekschrift (een fysieke bijeenkomst in de rechtbank waarvoor alle betrokken partijen uitgenodigd worden) bepaald. Soms kan dat binnen een paar weken, soms duurt het maanden: hoe snel een zitting plaatsvindt is afhankelijk van de spoedeisendheid van de zaak.

Voordat de behandeling plaatsvindt, wordt de onderneming in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk te verweren. Dat moet met behulp van een advocaat, die daarvoor een verweerschrift opstelt.

Vervolgens vindt de behandeling van het verzoekschrift plaats, op een zitting in een rechtszaal van het Paleis van Justitie in Amsterdam, waar het Gerechtshof Amsterdam zetelt.