Na het onderzoek: wanbeleid?

Als het onderzoeksrapport daartoe aanleiding geeft, kan één van de partijen bij de enquêteprocedure aan de Ondernemingskamer verzoeken te oordelen dat er sprake is geweest van wanbeleid. Er moet dan natuurlijk wel aanleiding voor bestaan tot dat oordeel te komen.

Het aanwezig zijn van wanbeleid wordt niet lichtvaardig door de Ondernemingskamer geconstateerd. Niet iedere beleidsfout kwalificeert als wanbeleid; het maken van fouten hoort nu eenmaal bij ondernemen. Toch hoeft wanbeleid niet structureel te zijn en kan er wanbeleid worden geconstateerd als gevolg van slechts een enkele gedraging, vooral als die enkele gedraging ernstige gevolgen voor de onderneming heeft gehad (hoewel het ontstaan van schade bij de onderneming of bij andere ook weer geen voorwaarde is om van wanbeleid te kunnen spreken). In alle gevallen moet er wel sprake zijn van een voldoende ernstige fout of fouten om de kwalificatie wanbeleid te kunnen rechtvaardigen. Het is een zware toets.

De maatstaf waaraan de Ondernemingskamer toetst of er sprake is van wanbeleid is een marginale (enigszins oppervlakkige) toets. De Ondernemingskamer beoordeelt alleen of de onderneming in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot zijn beleid heeft kunnen komen en daarbij niet een te erkennen marge aan beleidsvrijheid heeft overschreden. Het is dus niet zo dat de Ondernemingskamer ‘op de stoel van de ondernemer’ gaat zitten en met de kennis van nu gaat beoordelen of een bepaalde strategische keuze in het verleden wel of niet goed heeft uitgepakt. ook hoeven individuele bestuurders of commissarissen niet persoonlijk verantwoordelijk te zijn voor eventueel wanbeleid. Dat komt omdat een bestuur en raad van commissarissen van een Nederlandse vennootschap in beginsel collegiaal (gezamenlijk) opereren en daardoor ook collegiaal  verantwoordelijk zijn.

Uit het voorgaande blijkt dat de beoordeling of sprake is van wanbeleid erg afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van het geval, en daardoor weinig concreet. In de rechtspraak van de Ondernemingskamer wordt vaak gesproken van termen als:

  • er is gehandeld ‘in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’;
  • de onderneming als rechtspersoon niet of onvoldoende heeft gefunctioneerd’;
  • ‘algemeen aanvaarde beginselen van corporate governance’ zijn geschonden; of
  • de handelwijze van de vennootschap is ‘ernstig verwijtbaar’ geweest.