Uitspraak: gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen?

Na de behandeling ter zitting zal de Ondernemingskamer beoordelen of er, zoals verzocht in het enquêteverzoek, een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de onderneming zal moeten plaatsvinden. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de processtukken en van wat bij de behandeling ter zitting is besproken.

De beoordeling is natuurlijk niet willekeurig, maar vindt plaats volgens de toepasselijke rechtsregels, die vaak nader zijn uitgewerkt in eerdere uitspraken van de Ondernemingskamer en de Hoge Raad. De Ondernemingskamer wijst een enquêteverzoek alleen toe als ‘blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij de onderneming te twijfelen‘. Aan dit criterium is best snel voldaan, omdat het niet hoeft vast te staan dat er geen juist beleid bij de onderneming is: het is al voldoende als er sprake is van ‘feiten en omstandigheden die tezamen een behoorlijke kans inhouden dat bij nader onderzoek blijkt van onjuist beleid’.

Van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen kan sprake zijn in allerlei situaties. Regelmatig voorkomende voorbeelden zijn:

  • het niet-naleven door het bestuur van statutaire of wettelijke regels die betrekking hebben op het functioneren van de onderneming (zoals het structureel niet houden van aandeelhoudervergaderingen of het niet vaststellen van de jaarrekeningen van de onderneming);
  • de handelwijze ten opzichte van (minderheid)aandeelhouders (het niet verstrekken van informatie of onjuiste informatie aan minderheidsaandeelhouders of het zonder goede reden niet uitkeren van dividend);
  • impasses binnen bestuur, raad van commissarissen, of aandeelhoudervergadering (als gevolg van conflicten kunnen binnen deze organen van de onderneming geen besluiten meer worden genomen); of
  • het gevoerde commerciële of sociale beleid van de onderneming (het aangaan van verplichten die de onderneming nimmer zal kunnen nakomen, of het anderszins voeren van een onverantwoord bedrijfseconomisch beleid).

Als de Ondernemingskamer uiteindelijk oordeelt dat er is gebleken van ‘gegronde redenen om aan een juist beleid bij de onderneming te twijfelen’, beveelt zij een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de onderneming. Daarbij bepaalt zij meteen hoeveel dat onderzoek in principe mag kosten. In het MKB wordt dat bedrag vaak op EUR 20.000 vastgesteld, maar hogere bedragen komen ook geregeld voor. Eén en ander is sterk afhankelijk van de voorzienbare complexiteit van het onderzoek. De onderneming moet die kosten betalen.

Bij haar uitspraak (maar ook al eerder in de enquêteprocedure) kan de Ondernemingskamer ‘onmiddellijke voorzieningen‘ treffen. Dat zijn maatregelen die de Ondernemingskamer nodig acht om het belang van de onderneming en degenen die bij de onderneming zijn betrokkenen te beschermen. Dergelijke onmiddellijke voorzieningen blijven van kracht zolang als de enquêteprocedure (en het onderzoek) duren.

Er kunnen allerlei onmiddellijke voorzieningen worden getroffen, maar de meest voorkomende zijn:

  • schorsing van één of meer bestuurders of commissarissen;
  • aanstelling van één of meer tijdelijke door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders of commissarissen (waarvan de kosten door de onderneming moeten worden gedragen), vaak met bijzondere bevoegdheden zoals een beslissende of doorslaggevende stem binnen het bestuur of raad van commissarissen;
  • een verbod om een overeenkomst te sluiten of medewerking te verlenen aan de uitvoering daarvan;
  • schorsing van stemrecht van een aandeelhouder;
  • buitenwerkingstelling van een statutaire bepaling; of
  • overdracht van aandelen ten titel van beheer.

Deze onmiddellijke voorzieningen zijn zeer ingrijpend voor de onderneming en haar organisatie. De onderneming wordt tot op zekere hoogte onder curatele gesteld.