Gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (OK 2 september 2015)

      Reacties uitgeschakeld voor Gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (OK 2 september 2015)

Een enquêteverzoek kan worden toegewezen indien er naar het oordeel van de Ondernemingskamer sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen. Daarvan kan in allerlei situaties sprake zijn, en is sterk van de feiten en omstandigheden afhankelijk.

In deze uitspraak van 2 september 2015 komt een aantal concrete redenen aan de orde op grond waarvan de Ondernemingskamer twijfelt aan een juist beleid en juiste gang van zaken bij het bedrijf. Daarbij komt dat de bij de procedure betrokken partijen eveneens van mening zijn dat er sprake is van dergelijke gegronde redenen, en dat ingrijpen door middel van onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk is. In het geval dat de bij de procedure betrokken partijen zelf van mening zijn dat er sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen, zal de Ondernemingskamer niet snel tot een ander oordeel komen: in zeker zin ontstaat er dan een self-fulfilling prophecy.

De bij de procedure betrokken partijen hadden voorafgaande aan de behandeling van het enquêteverzoek overeenstemming bereikt over welke onmiddellijke voorzieningen door de Ondernemingskamer moesten worden getroffen. De Ondernemingskamer heeft die gevraagde voorzieningen dan ook toegewezen. Alle andere beslissingen worden aangehouden.

De Ondernemingskamer laat in het midden wie schuldig is aan de ontstane situatie. Een dergelijke vraag behoort in de onderzoeksfase aan de orde te komen.

Casus:

BSGR en IMR zijn beide voor 50% aandeelhouder van de vennootschap Cunico. Cunico is een houdstermaatschappij die aandeelhoudster is van diverse werkmaatschappijen. De werkmaatschappijen houden zich bezig met het delven, produceren en exploiteren van ferronikkel. Het bedrijf als geheel heeft ongeveer 2350 werknemers.

Cunico werd bestuurd door twee bestuurders, één namens BSGR en één namens IMR. Daarnaast was een manager door het bestuur gevolmachtigd om leiding te geven aan de dagelijkse gang van zaken binnen het Cineco-concern.

Aandeelhouder BSGR was van mening dat het Cineco-concern zich mede als gevolg van dalende nikkelprijzen in een precaire financiële positie bevond en dat zonder ingrijpen een faillissement van Cineco onontkoombaar zou zijn. Doordat er zowel binnen het bestuur als binnen de algemene vergadering van aandeelhouders van Cineco een impasse in de besluitvorming was ontstaan, was het niet mogelijk aanvullende financiering aan te trekken. Daardoor kwam de continuïteit van het Cineco-concern in gevaar. BSGR meende dat de impasse in de besluitvorming de schuld was van IMR, omdat IMR de noodzakelijke besluitvorming zou tegenhouden of vertragen. IMR weigerde een kapitaalstorting te doen, en wilde ook niet haar aandelen in Cineco verkopen of anderszins aan een oplossing meewerken. Ten slotte weigerde IMR de volmacht van de manager te verlengen. Dit alles maakte dat het Cineco-concern stuurloos was, aldus BSGR.

Ook IMR vreesde dat de continuïteit van Cineco gevaar liep, zij het op wat andere gronden. IMR stelde dat de dalende nikkelprijs tot financiële problemen heeft geleid en er daarnaast de oorzaak van was dat banken geen financiering meer wilden verstrekken of verlengen. Hierbij kwam, volgens IMR, dat er tussen de aandeelhouders en de bestuurder van Cineco ernstige verschillen van inzicht waren ontstaan over het beleid en de strategie van de Cineco-groep. De verstandhoudingen binnen het bestuur en de aandeelhouders waren ernstig verstoord, waardoor geen overeenstemming kon worden bereikt over hoe de financiële crisis het hoofd kon worden geboden. Volgens IMR was het juist BSGR die niet wilde meewerken aan een oplossing voor de problemen.

Gedurende de behandeling ter zitting van het enquêteverzoek werd duidelijk dat BSGR en IMR het erover eens waren dat als gevolg van de impasse de met het oog op het voortbestaan van Cineco noodzakelijke besluitvorming achterwege bleef. BSGR twistten ter zitting over de vraag aan wiens schuld dat was te wijten. Wel hadden zij overeenstemming weten te bereiken over de vraag welke onmiddellijke voorzieningen de Ondernemingskamer zou moeten treffen het belang van Cineco te beschermen.

Uitspraak:

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer blijkt uit de gedingstukken en de toelichting ter terechtzitting dat er inderdaad sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Cineco te twijfelen. De verhouding tussen BSGR en IMR is dusdanig verstoord dat de organen van Cunico niet meer naar behoren kunnen functioneren, waardoor de besluitvorming is gestagneerd, een eenduidige strategie en een eenduidig beleid om de financiële problemen het hoofd te bieden ontbreekt en de continuïteit van de onderneming in gevaar is. Voor dit oordeel kan wat de Ondernemingskamer betreft in het midden blijven wat de rol van ieder der partijen afzonderlijk hierin is en of de over en weer gemaakte verwijten terecht zijn.

De Ondernemingskamer wijst gelet op de toestand waarin Cunico verkeert, het door partijen gedane gezamenlijke verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen toe. De Ondernemingskamer benoemt een derde als bestuurder van Cunico aan wie in het bestuur van Cunico – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een doorslaggevende stem toekomt en die zelfstandig bevoegd is Cunico te vertegenwoordigen en zonder wie deze vennootschap niet vertegenwoordigd kan worden. Aangezien de aan de manager verleende volmacht zich niet met deze voorziening verhoudt, zal de Ondernemingskamer deze volmacht schorsen. Daarnaast draagt de Ondernemingskamer 5% van de door BSGR en 5% van de door IMR gehouden aandelen in het kapitaal van Cunico ten titel van beheer over aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder.

Foto: Flickr/University of Exeter