Spoedvoorziening: aandeelhoudersvergadering afgelast (OK 24 december 2015)

      Reacties uitgeschakeld voor Spoedvoorziening: aandeelhoudersvergadering afgelast (OK 24 december 2015)

Elders op deze website is te lezen dat de Ondernemingskamer een enquêteverzoek zeer snel, zelfs binnen enkele dagen, kan behandelen en uitspraak doen. In deze uitspraak van 24 december 2015 wijst de Ondernemingkamer een gevraagde onmiddellijke spoedvoorziening alvast toe, en zal de rest van het enquêteverzoek op een latere datum behandelen.

In deze zaak heeft de Ondernemingskamer slechts enkele dagen nodig gehad om een enquêteverzoek te behandelen en uitspraak te doen. Daarbij heeft zij tevens een onmiddellijke (spoed)voorziening getroffen.

Casus:

Prien Holding B.V. (hierna: Prien Holding) is een onderneming die (indirecte) belangen houdt in Spaanse onroerend goed-vennootschappen.

Tot 28 juli 2005 hielden A en B (een vennootschap van C) ieder 50% van de aandelen in Prien Holding. Op die datum is aan B één aandeel meer uitgegeven (tegen een uitgifteprijs van EUR 100), waardoor B dus nipt meerderheidsaandeelhouder is geworden. De reden van de uitgifte van dat ene aandeel was om B in de gelegenheid te stellen bepaalde belastingvoordelen te genieten. Tegelijkertijd was het níet de bedoeling om B als meerderheidsaandeelhouder zeggenschap over Prien Holding te laten verkrijgen. A en B hadden afgesproken dat het de bedoeling was dat de zeggenschap over Prien Holding gelijk verdeeld zou blijven.

Op 4 juni 2015 is een aandeelhoudersvergadering gehouden waarin is besloten één aandeel aan A uit te geven. De bestuurders van vennootschap B stemden daarmee namens B in, zonder aandeelhouder C daarin te kennen. De uitgifte heeft vervolgens op 17 juni 2015 plaatsgevonden. Als gevolg van deze aandelenaangifte werden de aandelenbelangen van A en B in Prien Holding weer gelijk getrokken (namelijk: in de verhouding 50/50). C was het daarmee niet eens en plande een aandeelhoudersvergadering op 28 december 2015 teneinde een statutenwijziging door te voeren die haar meer zeggenschap zou geven binnen Plien Holding.

Prien Holding (een vennootschap is zelf enquêtegerechtigde) diende daarop op 23 december 2015 een enquêteverzoek in bij de Ondernemingskamer, en verzocht daarbij onder andere om een onmiddellijke voorziening te treffen die inhield dat de voor 28 december 2015 geplande aandeelhoudersvergadering geen doorgang zou vinden.

Al een dag later, op 24 december 2015 deed de Ondernemingskamer uitspraak.

Uitspraak:

In haar uitspraak constateert de Ondernemingskamer dat er tussen A en B een geschil bestaat over de zeggenschap binnen Prien Holding. B stelt dat zij vanaf 28 juli 2005 de meerderheid heeft binnen de aandeelhoudersvergadering, omdat aan haar toen één extra aandeel is uitgegeven. Doordat op 17 juni 2015 eveneens  één extra aandeel aan A is uitgegeven, is daaraan een einde gemaakt. A stelt echter dat de uitgifte van het extra aandeel aan B op 28 juli 2005 slechts geschiedde met het oog op het in de gelegenheid stellen van B bepaalde fiscale voordelen te genieten. Nooit was het de bedoeling B een meerderheidsbelang binnen Prien Holding te geven.

De Ondernemingskamer acht het standpunt van A ‘voorshands aannemelijk’, omdat dat standpunt in de notulen van een aandeelhoudersvergadering in 2006 is terug te vinden, en omdat e-mailcorrespondentie van enkele betrokkenen met dat standpunt overeenstemt.

De Ondernemingskamer concludeert dat B in strijd met de in artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek beschreven redelijkheid en billijkheid handelt door de omstandigheid dat zij beschikt over de meerderheid van de stemrechten binnen de aandeelhoudersvergadering van Prien Holding, te gebruiken om – tegen de zin van A – de statuten van prijs Holding te wijzigen en mogelijk andere stappen te zetten die haar nog meer controle te geven over Prien Holding.

de Ondernemingskamer oordeelde dat het voorgaande gegronde redenen vormen om aan een juiste gang van zaken van Prien Holding te twijfelen, en te bepalen dat er geen aandeelhoudervergadering van Prien Holding zou plaatsvinden voordat de Ondernemingskamer de andere aspecten van de zaak zou hebben behandeld. Daarvoor plande de Ondernemingskamer een zitting op 7 of 14 januari 2016.

Op deze manier greep de Ondernemingskamer zeer snel in om een urgent probleem (de geplande aandeelhoudersvergadering op 28 december 2015) op te lossen. Op 7 of 14 januari 2016 is de zaak vervolgens ter zitting behandeld.