Onderzoeksbudget achteraf verhoogd (OK 6 januari 2016)

      Reacties uitgeschakeld voor Onderzoeksbudget achteraf verhoogd (OK 6 januari 2016)

Eén van de eerste uitspraken van de Ondernemingskamer in 2016 gaat over de verhoging van het onderzoeksbudget dat voor een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken (een enquête) bij een vennootschap was vastgesteld.

Uit deze uitspraak van 6 januari 2016 blijkt dat hoewel de Ondernemingskamer een vooraf een budget vaststelt voor een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij een onderneming, dat allerminst betekent dat dat budget niet mag worden overschreden. Als het onderzoek uiteindelijk meer heeft gekost dan het vooraf vastgestelde budget, moet het meerdere in beginsel worden betaald door de onderneming: een voorbeeld van de ingrijpende consequenties die een enquêteprocedure met zich mee kan brengen.

Casus:

Begin 2014 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van Plemaco B.V. (hierna: Plemaco) een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap Fayrefield Intrenational B.V. (Fayrefield) bevolen. Daarbij heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het onderzoek ten hoogste EUR 20.000 (ex btw) zou mogen gaan kosten. Vervolgens is de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker aan de slag gegaan.

Op  1 november 2015, bijna een jaar later, was het onderzoek gereed en is daarvan een onderzoeksverslag aan de Ondernemingskamer verzonden. Gelijktijdig heeft de onderzoeker zijn factuur ingediend, waaruit bleek dat het onderzoek EUR 35.142 (ex btw) heeft gekost. Bijna het dubbele van de aanvankelijk gebudgetteerde EUR 20.000 (ex btw). De onderzoeker verzocht de Ondernemingskamer daarom hem tegemoet te komen en het onderzoeksbudget te verhogen naar EUR 29.150 (ex btw).

Plemaco en Fayrefield zijn vervolgens door de Ondernemingskamer in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek.

Plemaco maakte van deze gelegenheid gebruik en betoogde dat uit de inhoud van het onderzoeksrapport en de werkwijze van de onderzoeker zou zijn gebleken dat die vooringenomen was. Plemaco verzocht de Ondernemingskamer daarom “te bepalen dat de onderzoeker geen aanspraak kan maken op de door uw Gerechtshof bepaalde vergoeding voor door de onderzoeker verrichte werkzaamheden.” Het onderzoeksverslag moet wat Plemaco betreft naar de prullenmand worden verwezen.

Fayrefield heeft zich in haar reactie geconformeerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer, maar merkte daarbij wel op dat zij de onderzoekkosten “buitensporig acht in het licht van de beperkte reikwijdte van het onderzoek en dat Fayrefield een kleine besloten vennootschap is die geen inkomsten meer genereert en te kampen heeft met hoge kosten.”

Uitspraak:

Hoewel Plemaco zich in haar reactie niet met zoveel woorden heeft uitgesproken over de vraag of er wel of geen rechtvaardiging is het onderzoeksbudget achteraf te verhogen, geeft de Ondernemingskamer aan de reactie “welwillend” te lezen, en op te vatten als een betoog geen verhoging van het onderzoek toe te staan. De “welwillende” lezing door de Ondernemingskamer past in de pragmatische insteek die de Ondernemingskamer in veel gevallen neemt.

De Ondernemingskamer oordeelt echter dat uit het commentaar van Plemaco op het onderzoeksverslag vooral blijkt dat Plemaco het op tal van punten oneens is met de werkwijze van de onderzoeker, zijn bevindingen en zijn waarderingen, maar dat die bezwaren geenszins de conclusie rechtvaardigen dat de onderzoeker vooringenomen is. De Ondernemingskamer verwerpt daarom het standpunt van Plemaco dat de onderzoeker geen aanspraak kan maken op enige vergoeding omdat hij zijn taak als onderzoeker niet goed zou hebben uitgevoerd.

Ten slotte overweegt de Ondernemingskamer dat gezien de inhoud van het onderzoeksverslag en het gespecificeerde overzicht van de verrichte werkzaamheden in het kader van het onderzoek niet worden gezegd dat de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget onredelijk voorkomt.

De Ondernemingskamer beslist het onderzoeksbudget alsnog te verhogen to EUR 29.150 (ex btw), conform het verzoek van de onderzoeker.