voorzieningen en vaststelling wanbeleid (OK 19 november 2015)

      Reacties uitgeschakeld voor voorzieningen en vaststelling wanbeleid (OK 19 november 2015)

Deze uitspraak van 19 november 2015 geeft invulling aan het begrip wanbeleid en geeft daarnaast een voorbeeld van de voorzieningen die ná de vaststelling van wanbeleid door de Ondernemingskamer kunnen worden getroffen.

Casus:

De casus waarin het in deze zaak om ging luidt – vereenvoudigd en samengevat – als volgt:

Partij A fungeerde als de enige bestuurder van een trustkantoor. In zijn hoedanigheid van bestuurder bepaalde A de dagelijkse gang van zaken binnen het trustkantoor. Het trustkantoor beschikte over een vergunning van De Nederlandsche Bank, op basis van het feit dat A bestuurder was van het trustkantoor.

Partij B was echter de enige aandeelhouder en dus eigenaar van het trustkantoor.

Eind 2006 spraken A en B af dat ze voortaan zouden gaan samenwerken als “gelijkwaardige partners”. A zou dan, net als B, voor 50% aandeelhouder van het trustkantoor worden. Om dat te bewerkstelligen moest eerst een vrij ingewikkelde aandelentransactie worden uitgevoerd, waarbij A een koopsom moest betalen voor de verkrijging van zijn 50%-aandelenbelang.

Uiteindelijk zijn de aandelen wel aan A overgedragen, maar werd de koopsom niet door hem betaald. Ook op andere onderdelen werd de aandelentransactie niet geheel volgens planning uitgevoerd. Zo werden geen duidelijk afspraken gemaakt over de zeggenschap (governance) binnen het trustkantoor. Hierdoor ontstond een conflict, dat resulteerde in een patstelling tussen de twee aandeelhouders (A en B) van het trustkantoor. Sinds 2011 vonden geen aandeelhoudersvergaderingen of aandeelhoudersbesluiten meer plaats.

A verzocht de Ondernemingskamer in april 2013 vervolgens om een onderzoek naar de gang van zaken en het beleid van het trustkantoor te bevelen. De Ondernemingskamer wees dat verzoek toe, en een onderzoeker werd benoemd. Op grond van het door de onderzoeker opgestelde onderzoeksverslag stelt A dat er bij het trustkantoor sprake is geweest van wanbeleid.

Uitspraak:

De Ondernemingskamer oordeelt dat de bevindingen in het onderzoeksverslag inderdaad kwalificeren als ‘wanbeleid’. Daartoe overweegt zij als volgt:

“3.6 Het verslag houdt immers in dat de oorzaak van het geschil tussen [A] enerzijds en [B] c.s. anderzijds “moet worden gevonden in de uiterst summiere en oppervlakkige, en daarmee tekortschietende, regeling van de zeggenschapkwestie”. De onderzoeker heeft opgemerkt dat “de kwestie van de zeggenschap in een joint venture vennootschap (…) naar zijn aard van wezenlijk belang” is en heeft vastgesteld dat de zeggenschapskwestie “bij de totstandkoming van de vennootschap (in de joint venture fase daarvan) tussen partijen maar heel summier aan de orde gesteld” is. [B], zo blijkt uit het verslag, wenste twee bestuurders te kunnen voordragen en [A] heeft zich daartegen niet verzet maar ging ervan uit dat dit “non-executive” bestuurders zouden zijn die zich niet met de dagelijkse gang van zaken zouden bemoeien. Zij heeft in de onderhandelingen over (de zeven concepten voor) de aandeelhouderovereenkomst evenwel geen concrete voorstellen gedaan om dat ‘non-executive’ karakter tot uiting te brengen.

3.7 Deze oppervlakkige behandeling van het cruciale thema van de zeggenschap heeft de volgende door de onderzoeker vermelde kwesties in het vage gelaten. Ten eerste is, doordat niet is geconcretiseerd wat [B] en [A] onder “de dagelijkse gang van zaken” verstonden, ongewis gebleven welke bevoegdheden uitsluitend bij [A] lagen, welke bevoegdheden [B] had, en of [A] unanimiteit zou verlangen voor bestuursbesluiten “die volgens beide partijen niet de dagelijkse gang van zaken betroffen”. Ten tweede heeft de onderzoeker gewezen op de verhouding van [A] met het trustkantoor, uit hoofde waarvan [A] tegen vergoeding diensten aan het trustkantoor verleende. Hij heeft hier over opgemerkt dat [B] noch [A] gepaste aandacht hebben gegeven aan de kwestie van de beëindiging van deze verhouding, die voor beiden cruciaal zou moeten zijn geweest en “bovendien gevoelig nu [A] daarbij een intrinsiek tegenstrijdig belang had”.”

Gezien de ontstane impasse tussen aandeelhouder A en B(die overigens geen relevante negatieve invloed had op de dagelijkse bedrijfsvoering van het trustkantoor) achtte de Ondernemingskamer het noodzakelijk de volgende voorzieningen te treffen:

  • voor de duur van een jaar, een bestuurder van het trustkantoor aanstellen met een in alle gevallen beslissende stem; en
  • eveneens voor de duur van een jaar, alle aandelen in het kapitaal van het trustkantoor ten titel van beheer overdragen aan een door haar aan te wijzen beheerder.

Door deze voorzieningen beoogt de ondernemingskamer de impasse tussen de aandeelhouders van het trustkantoor te doorbreken: de aan te stellen bestuurder en beheerder hebben immers een beslissende stem binnen zowel het bestuur van het trustkantoor als binnen de algemeen vergadering van aandeelhouders.